Glimlachend wakker, kakelende kinderstemmen
Rolgordijn omhoog, trilling tot de tenen
Één nacht, mijn polderwereld onder de deken van jeugdwinters

Steenkoud slaapkamertje, wollen deken als een plank
In blauw-badstof pyjama, geklommen op het bureautje
Vingernageltjes krassend langs de ijsbebloemde ruit

Muffe zolder op, de schaatsen
Roestige botte Friese doorlopers, drukken de pret niet
Gebroken veters hopeloos aan elkaar geknoopt

Wantjes aan een touwtje door mijn mouwen
Goedbedoelde gebreide rode kriebel-muts met dito kriebel-sokken
Stiekem likken aan lange ijspegels, dakgootdolken

Rammelende kwartjes, roze koek, trekdrop, schuimblok en choco
Rode oren, het zoute snot in je stijfbevroren sjaaltje
Geroezemoes, snikhete kantine, punchgeur, zware shag en erwtensoep

De taal van rode kachelstriemen op je billen
Laatste rondje in het donker, accordeonklanken verstommen in krakend twijfel-ijs
Schaatspunt in een scheur en op je platte

Veel te laat thuis maar moeder is niet boos
Strompelend op zeiknatte sokken de woonkamer in
Dampend voor de gaskachel, nog eens kind te zijn

 

Rick Jan Hitzerd©

Comments are closed.