Bram Roza Festival 2018

Dichter van de Hoeksche Waard 2025-heden

De nachten worden langer.
De duisternis valt in
over de lege akkers –
einde en nieuw begin.

We liggen uren wakker
en langzaam wordt het licht.
De zon lekt door de wolken.
Je ogen vallen dicht.

Je ziet de zwarte aarde,
het kiemen van het graan.
Dit zijn de jongste dagen.
Er komt geen einde aan.

 

© Liesbeth Goedbloed 2025

Je hebt te vaak op de trekker gezeten,
tegen het licht in gekeken,
met je ogen geknepen en nu staat de zon in je huid.

Je was altijd buiten, zei je.
Open lag het land in een omhelzing van dijken.
Open lag het land in een omheining van bloemen
en jij, in de kracht van je leven,
ploegde kaarsrechte voren van hier tot ginder
langs een kantwerk van fluitenkruid.

De zomer is voorbij.
Mag ik zeggen dat je winters oogt?
Ik zie de droge stoppels op je kin,
de modderspatten op je brede handen.

Een zuster kamt je dunne haar
en je komt nooit meer buiten.
De jaren kleedden je uit.

Toch draag je nog steeds
de hemel in je ogen,
de aarde in de groeven van je huid.

 

© Liesbeth Goedbloed 2025

Je loopt de akker rond.
Uitzicht en stilte alom.
De wolken gaan landinwaarts.
Het water stroomt naar zee.
Jij komt en gaat,
je komt terug.
Je loopt de akker rond.
Dit is een land dat thuisgrond wordt.
De akker neemt je mee.

*

Je loopt de akker rond.
De aarde ligt open-
gesneden als brood.
Dit land is een schoot voor de lente.
Dit land is grond voor de dood.

*

Je loopt de akker rond.
De zomer gaat,
de winter komt.
Dit is een land dat ademhaalt.
De winter gaat,
de zomer komt.
Je loopt de akker rond.

*

Je loopt de akker rond.
Dit land is ogentroost.
Van horizon tot horizon
boekweit, winterrogge,
bijenbrood.

*

Je loopt de akker rond.
Het koolzaad staat in bloei.
Dit land is van de hemel.
Het licht komt uit de grond.

 

© Liesbeth Goedbloed 2025

De wolken –
ze trekken zonder haast voorbij:
plooibare gebergtes, doorschijnende kolossen,
niet van zins om te blijven.
Liever oplossen, liever verwaaien,
in het verschiet liggen,
hoger dan de vogels,
hoger dan de bergen reiken
en verdwijnen.

De wolken –
ze verhoren de dorst van het land,
verschijnen als engelen
in viltgrijze, in zonwitte gewaden,
kleden zich laagje voor laagje uit:
zoveel verleidelijkheid dat we blijven kijken,
zien hoe ze zich geven,
druppel voor druppel,
tot het land drinkt.
Wat malen wij om een Sixtijnse kapel, een kathedraal van Florence
als hier om de haverklap engelen verschijnen,
de lucht elke minuut aan een renaissance begint?

De wolken –
ze bloeien maar even:
in de ochtend schelproze tulpen,
een schaduwboeket in de nacht.

Maar wie vreest hun zwarte gedaantes?
Wie ligt er wakker?

Jij niet en ik niet – we slapen.
In een droom varen bergen voorbij.
De wolken zullen waken
tussen ons en het zwart.

© Liesbeth Goedbloed 2025

Kijk: een kinderhand heeft een iets te bolle walvis
gekleid en die in deze Delta uitgezet
– een eiland met zijn eigen eiland
als een walvisjong erachteraan.

Kijk: een andere hand tekende met een liniaal
de rechtlijnige dijken, schiep ruimte voor het oog
dat hier kan oefenen met alziendheid,
kan reiken naar riet en golven, poldergroen en watergrijs.

De mensen die hier wonen zijn
een kruising tussen klei en haven –
allesweters, betweters, eilanders
verspreid over dorpen, buurtschappen en polders.
Geen grote helden, maar kleine,
schijnbaar inwisselbare, die zonder al te veel bombarie
een fijnmazig vangnet weven tegen de eenzaamheid,
want Geen mens is een eiland.

Neem Maarten die in Numansdorp zijn dagelijkse ronde doet,
zodat geen mens onopgemerkt zal sterven.
En Piet, de kruidenier die nog aan huis bezorgt
en iedereen voorziet van vriendelijkheid en koffie.
De Buurtcirkel kan wekelijks in Tarita’s huis terecht.
En Herma zit al jaren bij te komen
van al haar goede werken in de jeugddetentie.
Ze zijn onmisbaar, één voor één, ons vasteland:
Merijn die onze eigen plastic heroe is.
Carien die de gebroken harten lijmt.
En Maaike van de dierenambulance
redt zwaan en egel als ze het besterven.

Laat hier per ongeluk de autolampen branden –
de buren bellen, appen, komen aan van alle kanten.
En ga met een gerust hart op vakantie –
de hele straat kan zorgen voor de planten.
En als je droevig bent, het niet meer weet,
dan bel je aan en gaan er deuren open,
want Geen mens is een eiland.

Wie ooit het heimwee voelde knagen
naar grauwe luchten en bezonken klei,
herkent in poldergroen en watergrijs
een land dat ademt: welkom thuis.

Liesbeth Goedbloed, Dichter van de Hoeksche Waard 2025
Het citaat is van John Donne: No man is an island

Ik ben op jouw schreden teruggekeerd
van Numansdorp naar Strijensas
– een kleine bedevaart, dit klompenpad
langs Schuring, het Verloren Diep, voorbij het Land
van Essche en de Esscheplaat naar Strijensas:
een huis van steen, een pannendak.

Wie weet scheen de zon, de eerste lentedag,
zag je het werkvolk op het land,
hun hutten die tegen de dijk aanhingen,
vochtig nog, schuilend voor de wind.
De mannen, hun ruggen bruin als klei, gebogen.
De vrouwen, hun vroegoude ogen
volgden jou: geluksvogel
op weg naar de kolenkachel.

Tijdens het eten dacht je nog aan hen:
hun karig avondmaal van aardappels
en reuzel onder de eeuwig walmende
olielamp, hun schonkige gezichten,
hun bedeesde kinderen die jij
‘aap – noot – mies’ leerde lezen –
maar wat had je daaraan op het land?
Een dubbeltje wordt nooit een kwartje.

Je dacht aan hen, ook later, ver van huis,
toen je in Den Haag een hele dame was
tussen al die ginnegappende heren.
Hun kletspraat liet je koud – je liep
nog altijd met je kop in de stijve wind
langs de akkers, de hutten, de dijk af –
wat konden woorden je schelen zolang
de oostenwind zijn vlijmende tanden zette
in die doorschijnende hutten, zolang
jouw kinderen bij winternacht sterren
konden kijken door het dunne, rieten dak?

Geen katje om zonder handschoenen aan te pakken,
zeiden de heren in hun krakende pakken,
en jij zag ze voor je, die schoffies, hun benige werkhandjes,
verlegen met de griffel na het oogstseizoen,
en je hart werd een haard,
je liep het vuur uit je sloffen,
brandde een leven lang,
en je dacht nog aan hen toen je begon te walmen
als het kousje van een olielamp.

Wie weet, ga je nog altijd langs de dijk,
Wie weet, leer jij ons lezen:
‘teun – vuur – gijs’,
en schrijven met de griffel op de lei:
‘Dit is branden.’

© Liesbeth Goedbloed 2025

Bijschrift: Suze Groeneweg (Strijensas, 4 maart 1875 – Barendrecht, 19 oktober 1940) was het eerste vrouwelijke Tweede Kamerlid in Nederland. Ze was onderwijzeres en een vurig pleitbezorgster van volksonderwijs.

Wegen zijn dode rivieren.
Ze liggen bewegingloos in het land.
Boven hen siddert de lucht.
Onder hen is de aarde leger dan een woestijn.
Je vindt er slechts lichaamsresten:
stekels van egels, darmen, duivenveren.
Alleen aan de randen ritselt het leven:
fluitenkruid, klaprozen, het lenige gras.
Ook al lopen ze vol, ook al stromen ze over –
wegen zijn dode rivieren.

Rivieren zijn levende wegen.
Ze trekken meanderend door het land.
Boven hen vliegen libellen, ganzen.
In hun bedding wuiven voedzame wieren.
Daartussen grazen de brasems.
Het veer zet bescheiden reizigers over,
en de wind streelt hun wangen,
en de zon streelt hun ogen.
Ook al slinken ze, ook al staan ze laag –
rivieren zijn levende wegen.
Ze drinken als het regent.
Ze geven de vissen te eten.
Ze zijn op weg naar de zee
en nemen de schepen mee.
Rivieren zijn wemelende, levende,
zich eeuwig voortbewegende wegen.

© Liesbeth Goedbloed

De vogels –
ze kwamen, namen het luchtruim in,
vulden die blauwe danszaal boven ons
met roffels, trillers en ratels,
met zang.

De vogels –
ze legden op grote hoogte een wegennet aan.
Boven ons zijn wegen die wij niet kennen.
Boven ons zijn wegen die wij nooit gaan:
een Route du Soleil van Noord naar Zuid,
terwijl wij stilstaan voor de Haringvlietbrug,
en wachten, en naar boven kijken.

De vogels –
ze trekken zomaar voorbij,
kennen geen grenzen,
lezen geen kaarten.

Waren wij maar zo luchtig!
Hadden wij maar vluchtroutes en vederlichte geraamtes
en vleugels en zelfgemaakte, zacht ruisende jassen.

We zouden opstijgen.
We zouden zingen en fladderen.
We zouden de zomer maken.

We zouden plaatsnemen
op de dansende notenbalk van een hoogspanningskabel,
in het wolkenblauw een liedje schrijven,
het onhoorbaar voor de aarde zingen.

© Liesbeth Goedbloed

(Voor wie in de lente weer eens voor een open brug moet wachten.)

Niet het rood voor de ogen, niet het rood van de vlaggen,
niet het rood van de wanhoop, niet het rood van de slachtbank,
niet het rood van het oordeel, niet de spuigaten uit,
niet het hemelschreiende schedelrood van de kinderen,
niet het kliederverfrood in de hand van de doden,
niet het offerbloedrood in de nacht,

maar het bloeirood van klaproos,
het gloeirood van lont in een kaarsvlam, een waakvlam,
het rood van een blos, van een stervende zon,
moederkoekrood,
het rood van behuilde ogen desnoods.

En niet het zwart van de haat,
van ik-hier en jij-daar,
niet het zwart van het koudvuur,
niet het zwart van de oven,
van geweren en kraters, van doden,
niet het zwart voor de ogen,

maar het zwart in de ogen dat het midden houdt in een iris,
het zwart van namen op krantenpapier of gekerfd in een steen,
het zwart van de as op ons eigen hoofd,
het zwart van de hand die roept:
‘Aarde, bedek hun bloed niet!’
en die het verschil niet weet
tussen zijn eigen bloed en het bloed van de anderen,

en het zwart van de aarde die geen dode vergeet.

En vooral het grijs en het parelmoer
op de borst van een duif
die de vrede tevoorschijn koert
uit het genuanceerde groen.

© Liesbeth Goedbloed

Het Joodse monument op de Bierkade in Oud-Beijerland is in de nacht van 4 op 5 april door onbekenden met rode verf beklad. Het monument herinnert aan de Joodse medeburgers die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter zijn weggevoerd en vermoord.

De bomen –
ze steken knokige winterhanden
uit de grond, grijpen naar elkaar,
tekenen met de fijnschrijver van het lage licht
hun handafdruk op de sleetse dijken,
reiken naar het blauw met gerafelde vingers,
reiken naar het licht.

De bomen –
ze bewaren in de kom van een hand
de wildgroei van een nest,
laten aan de wolken zien
waar de vogels wonen,
en wachten tot de lente komt,
wachten, een winter lang –
de bomen,
de stilstaande bomen.

En de vogels,
de bewegelijke, luchtdansende, lichtvleugelige vogels?

Nog even en ze komen.
Van heinde en ver.

Ze komen.

© Liesbeth Goedbloed

“Knotwilgen Korteweg krijgen tweede leven bij Bosweg” – Het Kompas, 5 februari 2025
Bij het manifest: stop het doorplaatsen van kinderen in Jeugdzorg

Zo gaat dat soms met bomen:
ze graven je niet uit met de hand,
ze hebben een machine die net zolang
aan je stam schudt tot je wortels loslaten
en je hangt in die metalen omhelzing.
Je wortelgestel, breekbaar als oud haar,
veel te teer voor lucht en licht,
wordt omzwachteld met natte jute.
En dan gaan jullie uit rijden:
ergens anders gaapt de aarde naar je wortels
en je begint aan een tweede leven:
ze zetten je neer, gieten je nat,
dekken je toe, komen kijken hoe je het doet,
of je je al kunt hechten
aan deze nieuwe grond.
Zo gaat dat soms met bomen.

Zo gaat dat soms met kinderen:
op een dag komen ze je halen,
onaangekondigd.
Je moet mee, zeggen ze,
je kunt niet blijven, nee.
Waarheen, wil je vragen.
Waarom, wil je vragen.
Maar je hebt geen stem
en zij hebben geen antwoorden,
wel twee vuilniszakken voor je spullen.
En je begint aan een derde, vierde, vijfde, zesde leven,
Het went wel, zeggen ze.
Geloof me, zeggen ze.
Het komt goed, zeggen ze.
En het blijft goedkomen:
je krijgt weer een nieuwe kamer,
ligt weer in een ander bed,
knikt om hen gerust te stellen
en probeert te wennen aan al die
nieuwe gezichten, nieuwe stemmen –
maar het dekbed hier ruikt anders,
het lamplicht valt anders,
de trap kraakt anders,
alleen je knuffel is nog bij je,
maar weet ook niet waarom je weg moest.
En als de bel gaat, kijk je, kijk je,
en elke dag wil je vragen waarom,
maar je vraagt niets, want alleen als je lief genoeg bent,
mag je blijven.
Zo gaat dat soms met kinderen.

© Liesbeth Goedbloed

‘Renovatie Heinenoordtunnel zit erop’ – 22 december 2024

Eerst was er niets, toen was er licht. Dat noemen we “begin”.

Toen regende er stof uit het heelal,
en daarna kwam het water
en begon te leven, te wemelen.
De vissen kwamen, eerst de zwemmende en toen de vliegende,
en daarna de vogels.
En ook de mens. De mens ving
de vogels, de vissen, de mens temde het vuur, smolt het ijzer,
zaaide het gras, plantte de bomen, hoedde de dieren.

En de mens vreesde het water,
wierp vluchtheuvels op,
keek hoe het gras verdronk bij de zoveelste springvloed,
droomde van ongestoord zaaien, hoeden en eten.

En de mens groef een dijk rond het water,
de mens zei: ‘Tot hier en niet verder.
Dit land is voortaan van mij’,
en het water hield zich gedeisd.
De mens groef en zwoegde,
groef en droeg de aarde naar zijn plek,
maakte scheiding tussen het droge en het water –

zo schiep de mens de aarde.

Maar rusten deed hij niet, de mens.
Zijn rug was gekromd, hij droomde met zijn gezicht
naar de grond van de sterren,
maar zijn handen en armen stonden
naar zwoegen en dragen, ze konden niet anders:
ze groeven een tunnel onder het water.

En ’s nachts lag hij wakker, de mens,
droomde met open ogen:
alle bruggen zou hij opblazen,
alle schepen achter zich verbranden,
alle tunnels weer dichtgooien met klei,
de overkant vergeten
en uit varen gaan –
zijn eiland als een boot in de armen van de rivier,
wiegend.

En dan de lichten uit, en dan de wind,
en slapen bij de hartslag van de zee
achter het hout, achter de huid.

© Liesbeth Goedbloed